-
-

Tags

01.06.2017Tips voor kinderen en ouders bij echtscheidingen

Nieuw gezin, Ouderschap, Scheiden, Bemiddeling

Ondanks de media-aandacht is deze samenlevingsvorm wel in de minderheid. De meeste gezinnen bestaan uit één (26 %) of twee personen (33 %). Slechts 16 % van alle gezinnen bestaat uit vier personen. 18 % van de gezinnen bestaat uit drie personen, 5 % uit vijf en 2 % uit zes personen. 

De ex-partners verlangen meestal dicht bij het leven van hun kinderen te blijven. Het contact met de kinderen willen ze niet verliezen. Na een scheiding ontstaan echter nieuwe gezinsvormen. De familie is niet dood, maar is veel complexer geworden. Na een scheiding volgt dikwijls een nieuwe relatie. Zo tuimelen vele kinderen in een nieuwe gezinsvorm. 

Scheiding: één op drie

Bij één op drie kinderen scheiden de ouders. Eén gezin op zeven is een eenoudergezin, één op 25 een nieuw-samengesteld gezin. Hoe gaan we zelf, de buren, familie en vrienden daarmee om? 

Scheiden hoeft geen ramp te zijn. Samenblijven in een slecht huwelijk kan veel erger zijn voor de kinderen. Kinderen kunnen in elke gezinsvorm tot evenwichtige volwassenen uitgroeien. Als ze maar de kansen krijgen om zichzelf te zijn, om goede voorbeelden te hebben en in een veilige omgeving te mogen leven. 

Hoe je zelf als ouder of omgeving naar een echtscheidingen kijkt, bepaalt ook vaak de visie van de kinderen. Is het 'iets dat kan gebeuren' of wordt het eerder als iets zieligs of rampzaligs afgeschilderd? Dat maakt voor de betrokken kinderen (van buren, familie) een groot verschil. 

De gevoelens van de kinderen bij een echtscheiding.

Elk kind beleeft een echtscheiding op zijn manier. Verschillende gevoelens komen boven: 

1. Angst en onzekerheid: Zal mama ook weggaan? Wat gebeurt er met mij? Moet ik naar een andere school? Moet ik verhuizen? 

2. Agressie: er vallen voor een kind veel zekerheden weg, dat kan agressie meebrengen 

3. Opluchting: eindelijk een eind aan de ruzies, het geroep, de spanning 

4. Schuldgevoelens: soms denken kinderen dat het hun schuld is (“Ik ben niet braaf geweest.”) 

5. Schaamte: wat zullen de meester, juf, de vrienden, de familie denken? 

Kinderen proberen vaak op verschillende manieren hun ouders te ondersteunen.

1. Het kind neemt een deel van de verzorgende en verantwoordelijke taken van een ouder over. Ze zijn als het ware partner in plaats van kind (parentificatie). 

2. Het kind kiest partij voor één van de ouders omdat die er het zwakst voorstaat. 

3. Het kind stelt ernstig problematisch gedrag op de momenten van grote conflicten tussen de ouders. Zo gaat de aandacht naar zijn gedrag (bliksemafleider). 

4. Het kind stelt zijn/haar eigen verdriet en problemen uit om het niet allemaal nog moeilijker te maken. Het gaat op het eerste gezicht goed tijdens de scheiding, maar later, soms zelfs na enkele jaren komt het verdriet boven (uitgestelde rouw). 

Tips voor de ouders.

1. Zoek hulp. Praat met vrienden, familieleden. Soms is meer nodig: een gesprek met specialisten, iemand die het gezin begeleidt of bemiddelt als ouders gaan scheiden. De school kan voor je kind een rustpunt en hulp zijn. Breng daarom ook de school op de hoogte. 

2. Vertel je kind eerlijk wat je plannen zijn en wat die voor zijn leven gaan betekenen. Sommige ouders denken dat ze hun kind beter buiten de scheiding houden om het te beschermen. Maar het is voor een kind moeilijker te leven met onzekerheid dan met verdriet. 

3. Maak duidelijk dat je uit elkaar gaat omdat je niet verder samen kan of wil leven. Dat is niet de schuld van een kind. Soms denken kinderen dat (“Als ik nu eens wat liever was geweest, wat minder ruzie had gemaakt”). 

4. Maak je (tijdelijk) gebrek aan aandacht, warmte en liefde voor je kind niet goed door het te verwennen met grote cadeaus. 

5. Beschuldig elkaar niet. Doe kinderen niet kiezen tussen vader of moeder. Kinderen komen in een moeilijke situatie als ze van de ene ouder de andere niet meer mogen respecteren, erkennen, graag zien. Dat zorgt voor onmogelijke keuzes: als ze de ene graag zien, kwetsen ze de andere. 

6. Kinderen gaan zich vaak anders gedragen dan gewoonlijk: ze worden stiller, prikkelbaarder, agressiever, afwezig, niet geconcentreerd. Begrijp je kind als het moeilijk gedrag vertoont, maar blijf je regels stellen. Laat straffen niet achterwege uit een soort van schuldgevoel: «Ik heb wat goed te maken». 

7. Zorg dat het kind zijn ouders, maar ook zijn leerkrachten en andere volwassenen kan vertrouwen.