-
-

Tags

21.05.2019Onderhoudsbijdragen en buitengewone kosten voor de kinderen : nog bron van discussie in de toekomst?

Ouderschap

Titel 6 van voormelde wet betreft wijzigingen van bepaalde artikelen van het Burgerlijk Wetboek, van het Gerechtelijk Wetboek en van de wet van 19 maart 2010 ter bevordering van een objectieve berekening van de door de ouders te betalen onderhoudsbijdragen voor hun kinderen, met betrekking tot de werking van de Commissie voor Onderhoudsbijdragen, de vaststelling en afrekening van de buitengewone kosten en de vermeldingen in overeenkomsten die onderhoudsbijdragen vaststellen.

De ratio legis is het transparanter maken en objectiveren van de berekening van de onderhoudsbijdragen voor de kinderen, zodat ouders na het opstellen van een overeenkomst niet opnieuw discussies gaan voeren over wat er dient betaald te worden voor het kind en zodat het voor hen duidelijk is wanneer een onderhoudsbijdrage aan herziening toe is.

De wet spreekt weliswaar over “overeenkomsten tot vaststelling van onderhoudsgelden”, maar aangenomen mag worden dat haar bepalingen eveneens van toepassing zijn op alle documenten die hierin kaderen.

Welke veranderingen zijn er door de invoering van deze Wet nu juist doorgevoerd?

1.       Er is een verplichting tot motivering ingevoerd van het bedrag van de onderhoudsbijdragen voor kinderen in de overeenkomsten tot onderhoudsbijdragen.

2.       Een indicatieve oplijsting van de buitengewone kosten is opgenomen in de Wet.

3.       De overeenkomsten moeten een aantal verplichte clausules bevatten.

1.Motiveringsplicht

Het bedrag van de onderhoudsbijdragen voor kinderen dient verplicht gemotiveerd te worden.

De verplichte motivering, dewelke al voorzien was voor rechterlijke uitspraken (artikel 1321 Ger.W.), wordt dus nu ook verplicht voor alle overeenkomsten waar onderhoudsbijdragen in worden vastgelegd.

Dit betekent dat er verduidelijkt moet worden op welke wijze het bedrag van de onderhoudsbijdrage is tot stand gekomen en welke criteria determinerend zijn geweest om daartoe te komen.

Eén en ander is noodzakelijk en opportuun opdat de rechter op adequate wijze kan onderzoeken of er  wel gewijzigde omstandigheden aanwezig zijn in het kader van een verzoek tot herziening van de onderhoudsbijdragen..

Deze praktijk die in het kader van gerechtelijke procedures al aanwezig was (conclusies / rechterlijke uitspraken), dient dus nu ook toegepast te worden bij het opstellen van overeenkomsten.

Wanneer we kijken naar artikel 1321§1 Ger.W. dat voorziet in de motivering voor de rechtbanken dan lezen we dat de onderhoudsbijdrage die door de rechter wordt vastgesteld op basis van artikel 203 §1, 1ste lid BW volgende elementen bevat:

   1° de aard en het bedrag van de middelen van elk van de ouders door de [2 familierechtbank]2 in acht genomen op grond van artikel 203, § 2, van het Burgerlijk Wetboek;
   2° de gewone kosten waaruit het budget voor het kind is samengesteld alsook de manier waarop deze begroot zijn;
   3° de aard van de buitengewone kosten die in acht genomen kunnen worden, het deel van deze kosten dat elk van de ouders voor zijn rekening dient te nemen alsook de modaliteiten voor de aanwending van deze kosten;
   4° de verblijfsregeling van het kind en de bijdrage in natura van elk van de ouders in het levensonderhoud van het kind ten gevolge van deze verblijfsregeling;
   5° het bedrag van de kinderbijslag en van de sociale en fiscale voordelen van alle aard die elk van de ouders voor het kind ontvangt;
   6° de inkomsten die elk van de ouders in voorkomend geval ontvangt uit het genot van de goederen van het kind;
   7° het aandeel van elk van de ouders in de ten laste neming van de kosten voortvloeiende uit artikel 203, § 1, van het Burgerlijk Wetboek en de daarop eventueel vastgestelde onderhoudsbijdrage, evenals de modaliteiten voor de aanpassing ervan op grond van artikel 203quater van het Burgerlijk Wetboek;
   8° de bijzondere omstandigheden van de zaak die in acht genomen zijn.

De vraag rijst of alle criteria ook in de overeenkomsten dienen opgenomen te worden en of dat een praktische benadering en de bemiddelingsmogelijkheden niet in de weg gaat staan, wanneer punten en komma’s moeten opgenomen worden?

In de eerdere praktijk is de verblijfsregeling voor de kinderen steeds een belangrijk criterium geweest, evenals de toekenning van het kindergeld en fiscale voordelen aan één van de ouders en de opgenomen kostenindeling. 

Moet na de wetswijziging een detaillistische opgave gedaan worden van de inkomsten van de ouders, hun gezinssamenstelling, vermogenssamenstelling, inkomsten van nieuwe partners, vennootschapsinkomsten, ………?

Waarbij uiteraard discussies gaan rijzen over welke inkomsten in aanmerkingen genomen moeten worden en welke niet, op welke wijze berekeningen moeten gebeuren, welke parameters moeten gevolgd worden,……in het achterhoofd houdende dat elke goede regeling een objectieve en grondige aanpak vergt.

In het kader van de bemiddelingsweek 2018 gaf de Gezinsbond een opleiding rond de berekening van onderhoudsgelden voor kinderen, naar aanleiding van de vaststelling dat er weinig gebruik gemaakt wordt van objectieve berekeningsmethoden en dit noch bij onderlinge akkoorden, noch bij rechterlijke beslissingen. Zij stelde vast dat de berekeningen vaak niet gefundeerd uitgevoerd worden en dat de criteria waarvan gebruik wordt gemaakt veelal onderling verschillen.

Een steeds weerkerende vraag is of er bij de berekening van het onderhoudsgeld met alle elementen rekening dient gehouden te worden.

De Wet van 21 december 2018 geeft hier duidelijkheid over door de inlassing van het tweede lid dat stelt dat overeenkomsten tot vaststelling van onderhoudsbijdragen de totstandkoming van de bijdrage moeten motiveren op basis van de boven aangehaalde elementen, of “een deel ervan”.

Dit geeft aan partijen dan ook de mogelijkheid om niet àlle elementen uitdrukkelijk op te nemen in de overeenkomst.

Dit biedt de mogelijkheid om in het kader van een goede bemiddeling toch op objectieve en toereikende wijze het onderhoudsgeld te berekenen, maar daarom niet alle gegevens dienen opgenomen te worden in de overeenkomst. Ouders hebben op deze wijze ook de vrijheid om uit te maken wat voor hen determinerende criteria zullen zijn, ingeval van potentiële herzieningsverzoeken.

2.Buitengewone onderhoudskosten

Volgens het huidige artikel 203bis  van het Burgerlijk Wetboek zijn de buitengewone kosten:

uitzonderlijke, noodzakelijke of onvoorziene uitgaven die voortvloeien uit toevallige of ongewone gebeurtenissen en die het gebruikelijke budget voor het dagelijkse onderhoud van het kind dat desgevallend als basis diende voor de vaststelling van de onderhoudsbijdragen, overschrijden”.

Deze kosten zijn onvoorzienbaar en komen slechts uitzonderlijk voor, zodat ze ook niet in een berekeningsmethode kunnen worden opgenomen. Op basis van het inkomen van de ouders kan wel het aandeel van elke ouder hierin bepaald worden.

Naast de buitengewone kosten worden de verblijfsgebonden en verblijfsoverstijgende kosten onderscheiden.

 

De verblijfsoverstijgende kosten worden meestal alleen gedragen door de ouder bij wie de kinderen gedomicilieerd zijn. Dat is dan meestal ook de ouder is die een onderhoudsbijdrage voor het kind ontvangt ter compensatie hiervan.

 

Een buitengewone kost moet verdeeld worden tussen beide ouders en komt bovenop de alimentatie en gewone kosten.

Vaak vormen verblijfsoverstijgende en de buitengewone kosten een bron van discussie: telt een kost als verblijfsoverstijgend (en dus gewone) kost of als een buitengewone kost?

Door de Wet van 21 december 2018 zal er bij KB een lijst met buitengewone kosten voor de kinderen komen.

 

Een bestaande praktijk die in wetgeving wordt geïmplementeerd.

 

Het is een vaak gebruikte praktijk dat in overeenkomsten en rechterlijke beslissingen een oplijsting wordt opgenomen over wat nu juist buitengewone, bijzondere  kosten zijn.

 

Het is af te wachten op het KB over de buitengewone kosten of er nog aanpassingen nodig zijn bij het opstellen van nieuwe overeenkomsten hierover:

 

-       Samenstelling

 

De buitengewone kosten worden beperkt tot:

·         Medische en paramedische kosten;

Met name:

— de behandelingen door artsen-specialisten en de medicaties, gespecialiseerde onderzoeken en verzorging die zij voorschrijven;

— de kosten van heelkundige ingrepen en van hospitalisatie en de specifieke behandelingen die eruit voortvloeien;

— de paramedische kosten en hulpmiddelen (zoals: orthodontie, logopedie, oftalmologie, psychiatrische of psychologische behandeling, kinesitherapie, revalidatie, prothesen en apparaten (aankoop van een bril, beugel, lenzen, orthopedische zolen en schoenen, hoorapparaten, rolstoel));

— de jaarlijkse premie van een hospitalisatieverzekering of van een andere aanvullende verzekering die de ouders of één van hen moeten betalen. De premie moet betrekking hebben op de kinderen.

Dit alles:

a) voor zover deze voorgeschreven zijn door bevoegde artsen of door een bevoegde instantie;

b) en onder aftrek van de tussenkomst van het ziekenfonds, van een hospitalisatieverzekering of van een andere aanvullende verzekering.

Bijgevolg komen bijvoorbeeld gewone bezoeken aan huisarts en tandarts en de geneesmiddelen die zij voorschrijven, niet in aanmerking!

·         Kosten verbonden aan de schoolse opleiding;

Deze zijn:

— meerdaagse schoolactiviteiten tijdens het schooljaar (bijvoorbeeld zoals: ski-, zee- en bosklassen, school- en studiereizen, stages);

— noodzakelijk gespecialiseerd en kostelijke studiemateriaal en/of schoolkledij, aan speciale takken verbonden, die vermeld staan op een lijst die de onderwijsinstelling aflevert;

— het inschrijvingsgeld en de cursussen voor hogere studies en/of bijzondere opleidingen alsook niet gesubsidieerd onderwijs;

— de aankoop van ICT- apparatuur en printers met de softwareprogramma’s die voor de studie noodzakelijk zijn;

— de eventuele bijlessen die het kind moet volgen om in zijn schooljaar te slagen;

— bijkomende specifieke kosten verbonden aan een buitenlands studieprogramma (bijvoorbeeld zoals Erasmus of een uitwisselingsproject).

Dit alles na aftrek van eventuele studietoelagen en andere studiebeurzen voor hoge onderwijs, waarvan de bewijsstukken bij de afrekening worden gevoegd.

·         Kosten verbonden aan de ontwikkeling van de persoonlijkheid en ontplooiing van het kind;

 

— lidgeld, basisbenodigdheden en kosten voor kampen en stages in het kader van culturele, sportieve of artistieke activiteiten (bijvoorbeeld zoals een sportclub, jeugdvereniging, muziekvereniging, taal- en sportkampen, kampen van jeugdbeweging en sportstages, lessen voor beeldende kunst, muziek, woord en dans);

— inschrijvings- en examengeld voor het theoretisch examen voor een rijbewijs voor zover dit niet kosteloos langs de school kan behaald worden maar via een rijschool moet gebeuren,

— en – mits voorafgaandelijk overleg – het inschrijvings- en examengeld voor het praktisch rijexamen;

·         Alle overige belangrijke kosten die partijen als buitengewoon benoemen;

In deze categorie behouden ouders nog de vrijheid om een kost als buitengewoon te kwalificeren. Indien ouders dit wensen, kan bijvoorbeeld de pil, osteopathie,… nog worden toegevoegd. Indien er geen akkoord kan worden bereikt tussen partijen, zal de Rechtbank de wettelijke lijst gebruiken.

-       Overleg en akkoord.

Ook nieuw is het verplicht invoeren van overleg en akkoord.  Voor de buitengewone kosten "verbonden aan de ontwikkeling van de persoonlijkheid en ontplooiing van het kind", dient er tussen de ouders een voorafgaand overleg én uitdrukkelijk voorafgaand akkoord te zijn, behalve bij hoogdringendheid of overmacht.

Tevens geldt het overleg en akkoord voor:

(1) de huur van een studentenkamer;

(2) meerdaagse schoolactiviteiten die geen verplicht deel uitmaken van het leerprogramma;

(3) de aankoop van ICT-apparatuur en printers met de voor de studie noodzakelijke softwareprogramma’s;

(4) bijlessen;

(5) bijkomende specifieke kosten verbonden aan een buitenlands studieprogramma (zoals Erasmus of een uitwisselingsproject).

Er is een voorafgaand akkoord indien de ouder aan wie het verzoek tot akkoord wordt gericht bij aangetekende brief, faxbericht of elektronische wijze, nalaat hierop op dezelfde wijze te reageren binnen de 8 dagen. Als de terugbetaling tijdens de schoolvakanties van minstens één week of meer gevraagd is, wordt deze termijn tot 30 dagen verlengd.

-       Betaling van de buitengewone kosten.

 

De buitengewone kosten zullen maandelijks dan wel trimestrieel moeten afgerekend worden met mededeling van een kopie van de bewijsstukken door de partij die de betaling vraagt.  Zij moeten worden betaald binnen de vijftien dagen na de mededeling van de afrekening met bewijsstukken.

De partij die studietoelagen en/of andere studiebeurzen voor hoger onderwijs, een tussenkomst van het ziekenfonds, hospitalisatieverzekering of een andere aanvullende verzekering ontvangt/geniet, bezorgt van zodra deze voorhanden zijn en minstens jaarlijks in de maand september een overzicht van alle ontvangen bedragen samen met een kopie van de bewijsstukken.

Ingeval van compensatie tussen wederzijds opeisbare schulden met betrekking tot de kosten, is alleen het verschil verschuldigd.

-       Betwisting en verjaring van de buitengewone kosten.

 

Betwistingen moet u uitvechten bij de Familierechtbank. De vordering van de buitengewone kosten verjaart na een termijn van vijf jaar. De vordering van de buitengewone kosten heeft immers een nauwe band met de vordering tot levensonderhoud, die tevens verjaart na vijf jaar. 

3.Verplicht op te nemen clausules

Elke overeenkomst tot vaststelling van onderhoudsgeld moet voortaan uitdrukkelijk, én in begrijpelijke taal de clausule bevatten omtrent de mogelijkheid tot loonmachtiging bij onbetaalde onderhoudsgelden, alsook de gegevens en omschrijving van de werking van de DAVO (Dienst voor alimentatievorderingen).

4.Conclusie

Deze dagen wordt er meer en meer stilgestaan bij het feit dat een echtscheiding ook voor kinderen een ingrijpende gebeurtenis is. Niet alleen het scheiden zelf van de ouders, maar ook het ouder-zijn nadien heeft invloed op het welzijn van het kind.

Iedereen is het erover eens dat een goed opgestelde overeenkomst in het kader van relatiebreuken en echtscheidingen,” een goed uit elkaar gaan”, positief is voor het kind.

En er is altijd wel ruimte voor verbetering; het transparanter maken en objectiveren van de berekening van de onderhoudsbijdragen voor de kinderen, is een poging van de wetgever om de vele discussies die hierover rijzen tussen de ouders, ook na de breuk, te vermijden. Dit zou ook betekenen dat nieuwe gerechtelijke procedures bij de familierechtbanken en beslagrechter zullen verminderen.

Naar aanleiding van deze wetswijziging is het belangrijk om de overeenkomsten met betrekking tot de vaststelling van onderhoudsgelden (zij het nu ouderschapsovereenkomsten,  familierechtelijke overeenkomsten,…) in overeenstemming met de wet op te stellen, waar in de praktijk toch al veel aandacht aan werd geschonken.

De toekomst zal dan ook moeten uitwijzen of de wetswijziging effectief bijdraagt aan het verminderen van discussies tussen ouders en aan een vermindering van gerechtelijke procedures.

Christel Lenaers